OP ZOEK NAAR HET GOUDEN EI VAN DE TUKKEL (DEEL 2)

BEPFALK MUSIC World's End
De Tukkel bestaat natuurlijk niet echt, net zoals die andere spirituele krachtbronnen niet echt bestaan, want de Tukkel heb ik zelf bedacht in de zomer van 1986 op een terrasje aan de Keizersgracht in Amsterdam waar ik toen tijdelijk bij een vriendin inwoonde vanwege mijn muzikale werkzaamheden in de Randstad. De Tukkel is voor mij een belangrijke imaginaire vogel geworden.
Op het Waterlooplein had ik een Engelstalig boekje gevonden voor vogelaars. Het kostte slechts 1 gulden en zag er nog nieuw uit. Vogels die in Zuid India en Ceylon (nu Sri Lanka) voorkomen:
the ashy-headed babbler, the Ceylon hill white-eye, the fantailed warbler (pauwstaartachtige tjiftjaf), the yellow-eared bulbul en vele roofvogels zoals de mountain hawk eagle, maar ook uitgestorven exemplaren werden uitgebreid beschreven, waarvan de bepfalcon (bepfalk) mij wel het meest aansprak. De bepfalk was een zeer grote roofvogel. Zo groot als een paard. Te vergelijken met Pegasus, alleen was Pegasus een paard met vleugels en de bepfalk was een echte vogel met de grootte en hoogte van een paard. Er moeten in de 11e of 12e eeuw nog maar enkele tientallen exemplaren van zijn geweest. Ze zijn beschreven in geschiedenisverhalen over de oorlog tussen de Singalezen en Tamils. De Tamils afkomstig uit Tamil Nadu in Zuid India probeerden Sri Lanka te veroveren, maar dat was ze niet gelukt. De Singalezen hadden een geheim wapen: levende vliegtuigen zoals de bepfalken nu ook worden genoemd. De bepfalken, die op zeer grote adelaars leken, werden getraind om een soldaat (een piloot) te dragen en te vliegen over vijandelijk gebied. Met dit geheime wapen waren de Tamils zeer gemakkelijk te verslaan. De piloot kon gemakkelijk vanuit de lucht een verrassingsaanval uitvoeren en de vijandelijke divisies met speren bestoken of met pijl en boog. De bepfalken keerden altijd terug naar hun verblijfplaatsen in de rotsen vlakbij de berg wat nu Adams Peak wordt genoemd. Niemand wist wat te vertellen over de habitat van deze krijgsvogels, totdat ooit een monnik een trekking van een paar weken lang heeft ondernomen om via toen nog onherbergzame landschappen naar de plek in de rotsen te klimmen waar de vogels zich zouden moeten bevinden. Het was hem gelukt en wat hij toen aanschouwde was voor hem niet te bevatten. Hij beschreef de aanblik van een twaalftal bepfalken als apostelen om een nog veel grotere vogel heen geschaard: 'De Tukkel'. Er bleek maar één Tukkel te zijn, die onsterflijk was. De monnik werd vriendelijk door de vogels ontvangen en toegesproken door de Tukkel. De Tukkel liet het transparante gouden ei zien waarin de waarheid zat. Bij het aanschouwen en aanraking van dit ei werd de monnik verblind door 'EERLIJKHEID' en door de magische verlichting die dit ei uitstraalde. De monnik moet iets zeer onaards, iets heilig ongrijpbaars hebben ervaren waarschijnlijk net zoiets als de kleine Bernadette Soubirou had meegemaakt toen Maria aan haar verscheen in 1858 in het plaatsje Lourdes in de Pyreneeën of toen Buddha werd verlicht onder de Ficus religiosa de heilige boom, maar dan met een 1000 keer zo grote 'verlichtingssterkte'. Met een dergelijke verlichting zou men bijna achter de ultieme waarheid van 'HET' kunnen komen. De waarheid van het menselijke bestaan bijna kunnen doorgronden. Het HOE, WAT en WAAROM? Geen mens hier op aarde als stoffelijk wezen heeft dit ooit meegemaakt.
De monnik bewust van de ontzettende belangrijkheid van zijn 'vondst' werd toch hebberig en wilde dit ei, zo groot als een voetbal meenemen naar de bewoonde wereld. In de nacht heeft hij het opgepakt en meegenomen, maar halverwege de afdaling van de berg is hij van een rots gevallen en het ei is sindsdien spoorloos verdwenen. De man heeft de val overleefd en vertelde in zijn dorp over het ei. Het verhaal van de verlichtende werking van het ei heeft zich verspreid van man tot man, van generatie op generatie tot op de dag van vandaag, maar het ei is nooit meer gevonden. Alhoewel de man verlicht zou zijn door het ei heeft hij toch geprobeerd het mee te nemen, wat in zou houden dat de verlichting niet voor 100% is gelukt. Waarschijnlijk nog niet eens 10%. Bij een totale verlichting zou de man immers van alle menselijke zonden en ondeugden verschoond zijn en hebberigheid of enige neiging daartoe, zou dan nooit meer in zijn chromosomen opgeslagen liggen. Het zou dan geen seconde in hem opgekomen zijn om het ei mee te nemen. De monnik werd direct gestraft voor zijn zonde. Hij werd gek van verlangen naar het ei, kon het niet meer vinden en pleegde ten slotte zelfmoord in de hoop, dat de dood verlossing kon brengen.
Er zijn in de 19e eeuw nog skeletresten van de bepfalk gevonden, maar de Tukkel, immers onsterfelijk, schijnt nog te leven en het ei nog in tact.
Maar waar is het? Heeft het zich misschien vermomd? Het zou in een gedaante kunnen verschijnen van een 'gewoon' mens, maar ook elke abstracte vorm kunnen aannemen en zelfs onstoffelijk als abstract begrip. Misschien is de Tukkel wel de som van alle aardse en metafysische waarden, zowel stoffelijk als niet stoffelijk bij elkaar.
Zeker niet te bevatten voor de mens.
Nooit te doorgronden zolang het ei niet gevonden is.
De Tukkel kan zich overal op de wereld bevinden, maar ook tijdelijk verblijven in een andere dimensie of in een ander universum.

In augustus 1992 besloot ik op zoek te gaan naar de Tukkel, waar die zich ook maar kon bevinden.
Eind juli 1992 kreeg ik te horen, dat een aantal optredens, met mijn trio French Connection geannuleerd was. Dit hield in, dat ik twee weken eerder vakantie had en dat ik nu een maand vrij was.
Ik ging direct naar Reisburo Internoord en vroeg of ze een ticket voor mij hadden naar een verre bestemming. Kon niets schelen waarheen. Ik zei, dat ik direct wilde vertrekken. Na wat zoeken bleek, dat ik binnen een paar uurtjes kon vertrekken naar Sri Lanka met een geïmproviseerde reis. Sri Lanka, helemaal te gek. Wel heel toevallig het land, waar men het eerst van de Tukkel had gehoord. Nou, ik wilde wel naar het oude Ceylon. Snel nog even een reisboekje halen en daar ging ik met één klein KLM koffertje. Ik reisde met Kuwait Airlines via Londen, Rome en Kuwait. De reis duurde wel erg lang met stops en zo, maar dat vond ik niet erg. Na ongeveer 16 uur kwam ik aan op het vliegveld van Colombo, de hoofdstad van Sri Lanka. Ik werd direct door de hitte gepakt en al hoewel ik wel eens eerder in Aziatische landen ben geweest werd ik dit keer overrompeld door een cultuurshock op het vliegveld al. Dit zou later nog erger worden. Dit was namelijk wel de eerste keer, dat ik in een land kwam met een hindoeïstische, arme bevolking. Na de douane gepasseerd te zijn zag ik wel honderd Sri Lankanen achter de hekken, die allemaal wat wilden verkopen, een taxirit aanboden of een hotel vertegenwoordigenden. En ze waren niet bepaald stil. Wat een herrie.
Van een goede vriend, die er een paar jaar eerder was geweest, had ik gehoord, dat ik even door moest lopen naar buiten toe. Daar stonden bussen klaar voor openbaar vervoer overal naar toe. Ik pakte de bus naar Negombo een paar kilometer verderop om eerst bij te komen van de reis. De rit kostte een paar dubbeltjes.
Ik stapte in het centrum van het plaatsje uit en zag voor het eerst koeien op straat lopen tussen het dagelijkse verkeer. Ze werden met respect behandeld. Overal waren kraampjes met etenswaren of ander klein handelswaar. Ik liep wat rond en zocht een guesthouse of goedkoop hotelletje, maar kwam terecht bij Blue Oceanic Hotel een resort hotel waar ik normaal niks mee heb, maar vanwege vermoeidheid wilde ik niet te lang zoeken. Het bleek ontzettend goedkoop te zijn. Een soort 4 sterren hotel voor ongeveer 25 dollar per nacht. Ik checkte in voor drie dagen. Een beetje wandelen in de omgeving, wat kijken bij de vissers op het strand en wat kletsen met wat engelse meisjes bij het zwembad van het hotel. Heerlijk. Lekker genieten met een boek erbij.
Ondertussen verzamelde ik informatie over de Tukkel. Niemand had er ooit van gehoord totdat ik op het strand een meisje uit het dorp tegenkwam, dat mij geld vroeg voor potloden voor het schooltje van haar zoontje. Ze nodigde mij uit om bij haar thuis thee te drinken. Toevallig had ik net in het reisboek gelezen, dat je niet direct op dit soort uitnodigingen moet ingaan, omdat het wel eens gebeurd is, dat toeristen werden gedrogeerd. Er werd dan wat in de thee gedaan, de toerist raakte bewusteloos en beroofd. Van dat soort verhalen. Er zal wel eens wat gebeurd zijn, maar ik ben toch op mijn intuïtie afgegaan en raakte gezellig aan de praat en vertelde over de Tukkel. Het meisje wist daar niets van, maar haar opa kon er wel meer over vertellen. Opa woonde vlakbij en inderdaad hij had er van gehoord en kon mij vertellen, dat als de Tukkel of het ei van de Tukkel zich op Sri Lanka zou bevinden dan waren er drie plaatsen, die daarvoor in aanmerking zouden komen: in een spleet of nis op de Leeuwenrots van Sigiriya, of samen met de tand van Boeddha in een soort gouden schrijn in de temple of the tooth in Kandy óf in de rotsen bij World's End vlakbij een golvende vlakte: Horton Plains. Een zonderlinge wereld van wilde hoge grassoorten, wouden, watervallen en trektochtpaden in de schaduw van de Kirigalpottaberg (2395 m) en de Totpola (2395 m). Het is toegestaan om hier alleen zonder gids te wandelen. De vlakte komt tot een zeer plotseling einde bij World's End, een overweldigende steile wand tot bijna 1 km de diepte in.
Bij helder weer heb je een prachtig uitzicht, maar meestal is het nevelig en zie je niets.
De grootvader van het meisje vertelde ook, dat het ei nooit op de bergrots Adam's Peak kon zijn, omdat de Peak nu al jaren een soort bedevaartsoord is voor pelgrims. Dagelijks beklimmen soms wel honderden pelgrims de 2243 m hoge berg. Geen plek voor de Tukkel of voor het gouden ei.
Ik besloot eerst naar de leeuwenrots te gaan bij Sigiriya via de plaatsen Anuradhapura en Pollonaruwa om daar prachtige tempels, boeddha beelden, stupa's (dagoba's) en Singaleze ruïnes te bezichtigen. Beide plaatsen zijn ten slotte archeologische reservaten van wereldklasse volgens de 'Lonely Planet'. In Anuradhapura staat ook de 2300 jaar oude heilige Bodhi-boom, een stek van de boom waaronder Boeddhha in het Indiase Bodh Gaya 2500 jaar geleden de verlichting bereikte.
Vanuit Negombo reisde ik eerst een stukje met de bus en daarna in de trein voor een paar dubbeltjes. In Anuradhdaphura aangekomen kwam direct een taxichauffeur op mij af, die mij aanbood voor een paar dollars langs de tempels te gaan rijden. Ik ging op het aanbod in en handelde nog wat over de prijs. Het was een rustige, aardige man, die zich verder nergens mee bemoeide. Hij nodigde mij zelfs uit om 's avonds bij hem te komen eten. Zijn vrouw zou dan wat lekkers koken en kon ik ook kennis maken met zijn twee kleine kinderen.
Na de plaatsen Anuradhapura en Pollonaruwa in twee dagen bezocht te hebben ging ik eindelijk op weg naar Sigiriya. Onderweg wilde ik even wat eten en vroeg of hij een geschikt restaurantje wist. Hij bracht mij toen naar een soort guesthouse met eetgelegenheid voor toeristen, maar ik zei, dat ik dat niet bedoelde. Ik wilde gaan eten waar de Sri Lankanen ook heen zouden gaan voor de lunch. Toen bracht hij mij naar een klein restaurantje. Het zag er niet uit. Erg smerig om te zien. Toen ik aan één van de tafeltjes met zwart bovenblad wilde plaatsnemen bleek die tafel helemaal niet zwart te zijn van de bovenkant, maar het waren vliegen. Het zag letterlijk zwart van de vliegen. Ik heb er wel gegeten met de hand, zoals de plaatselijke bevolking dat ook doet nadat ik de handen eerst goed had gewassen met water uit een fles, want een kraan hadden ze daar niet. Ik moet zeggen dat het eten erg lekker smaakte. Rijst met hete kip en sperzieboontjes, wat kroepoekachtige koekjes en kleine pannenkoekjes (pappadums), die je in een pittige saus moest dippen. Dit soort eten krijg je niet in de Neckerman hotels, want in de toeristen hotels is de smaak altijd aangepast aan de westerse toerist. Ondanks, dat het restaurantje er niet uit zag, smaakte het eten fantastisch. Nog even naar de 'wc'. Zag er erg vies uit. Oh, oh, oh, oh zo'n 'wc' had ik ook nog nooit gezien. Wat smerig. Bah. Gauw wegwezen. Snel op weg naar Sigiriya. Na een klein half uurtje zijn we bij de Leeuwenrots aangekomen.

De 200 m hoge rots van Sigiriya torent boven een vlakte uit met rijstvelden, meren en dichtbegroeide wildernis. In het jaar 480 bouwde koning Kasyapa een burcht op de kale top om zijn bezittingen en zich zelf zo te beschermen tegen aanvallen van buitenaf. Toen ik er aankwam was ik enigszins teleurgesteld, omdat het daar redelijk toeristisch was. Via heel enge, smalle treden en wenteltrappen, die met dunne kabels in de rots geklonken waren moest je langzaam naar boven klimmen. "Als dat maar goed komt", dacht ik bij mijzelf bij de aanblik van al die mensen op die trappen. Je kon ook dwars door de trappen naar beneden heenkijken, wat zeker griezelig is voor mensen met hoogtevrees.
Ik klom voorzichtig naar boven en op een gegeven moment kwam ik bij een soort grot met prachtige fresco's: de Wolkenmeisjes van Sigiriya. Ze vormen het absolute hoogtepunt van de Singaleze muurschilderkunst. De betekenis van de afbeeldingen is nooit achterhaald, maar er zou een verband zijn met de verblijfplaats van de Tukkel en op zijn minst het gouden ei van de Tukkel. Ik heb de fresco's even bewonderd daarna liep ik door naar boven langs de spiegelmuur. Uiteindelijk kwam ik via een opgang helemaal op de top. Hier had de burcht gestaan. Nu stonden er alleen twee hele grote bakstenen leeuwenpoten. Ik heb daar wat gezocht, maar kon mij niet voorstellen dat daar het ei zou liggen. Ik liep door via de dode buffelrots naar de koninklijke slaapkamer onder de cobrarots, maar daar was ook niets te vinden. Zeer teleurgesteld daalde ik na 2 uren zoeken weer af naar beneden. Ik wilde nog even bij de fresco's zien, want ik vond ze erg prachtig en toen deed ik een spectaculaire ontdekking. Op één van de fresco's was een afbeelding te zien van een wolkenmeisje, dat een lotusbloem vasthoudt. Onder haar linkerborst was een heel klein zinnetje getatoeëerd in een vreemdsoortig letterpatroon. Je kon het nauwelijks zien, maar ik zag het direct. Je moest wel heel goed kijken. Het was niet Singalees, het was niet Chinees, het was niet Portugees, het was niet Sanskriet, het was: FRIES. Ik stond perplex. Er stond:

taaidoensjoprafanwrot
dat vertaalde ik in:
taai doensj oppra fan wrot
it aai doenst op 'e ran fanne wrot
it aai dûnset op 'e râne fan 'e wrâld
het ei danst op de rand van de wereld
Het was voor mij zo klaar als een klontje. Het ei zou zich bevinden op de
rand van de wereld: World's End bij Horton Plains. Eureka!
Dat had ik snel opgelost. Archeologen en kunstkenners uit de hele wereld hebben dit zinnetje waarschijnlijk nooit kunnen oplossen en ik zag het in één keer. Het was gewoon Fries alleen in een andere belettering. Met een euforisch gevoel daalde ik af. Het ei zou snel binnen handbereik zijn dacht ik bij mijzelf heel naïef. Nu hoefde ik de schrijn in de tempel of the tooth ook niet te onderzoeken. Het zou trouwens onmogelijk zijn geweest.
De kist was streng bewaakt. Nee, het leek mij ook sterk, dat het ei samen met een tand van Boeddha in een kist zou zitten. Door een prachtig landschap langs theeplantages liet ik mij rijden naar Kandy. De chauffeur bracht mij naar een guesthouse van de familie Madugalle. Ik had een prima kamer en ik at gewoon met de familie mee op een tijdstip dat ik met de vrouw des huizes had afgesproken en zij kookte de lekkerste gerechten. Haar man gidste mij nog door de stad, maar 's avonds wilde ik alleen wat rondstruinen. De familie had mij verteld, dat het 's avonds heel druk zou zijn, want het was Esala Perahera een processie met een paar honderd olifanten, trommelaars, toeteraars en vele kleurrijke dansers. Tijdens de Perahera werd de schrijn met daarin de tand van Boeddha bovenop een speciale olifant rondgedragen. Alle olifanten waren feestelijk uitgedost met kleren aan en lichtjes op de kop en om de oren. De olifant met de schrijn was gekleed in een hele mooie rode pyjama. De optocht duurde uren en zag er sprookjesachtig uit met de vele fakkels en feestelijke verlichting op straat, in de bomen en op de huizen. Ik had een lekker gevoel, omdat ik zeker wist, dat ik het gouden ei zou gaan vinden. Na vijf dagen nam ik afscheid van de familie ( ik krijg nog steeds een kaartje met de kerstdagen ) en ging op weg naar Horton Plains via Nuara Eliya een prachtig Brits koloniaal plaatsje in de bergen met een heerlijk klimaat. Hier waren ook weer veel theeplantages en ik genoot zeker nu ik wist, dat het ei niet ver meer kon zijn. Ik moest naar het plaatsje Haputale en van daaruit met een four wheel drive jeep, die ik deelde met een Schots stel om de kosten te delen naar de Farr Inn, een kleine herberg met winkeltje waar je nog wat water en wat te eten kon kopen. De rit met onze jeep was duurder dan een rit met de gewone jeeps, maar als snel bleek, dat wij een goede keus hadden gemaakt. Onderweg zagen we twee helemaal vast zitten in de modder van het ruige landschap. We zagen veel brutale apen, die af en toe op de jeep klommen. Bij de Farr Inn begon mijn uiteindelijke wandeltocht. Eerst liep ik nog een uur of twee met Sandra en John (het Schotse stel), maar daarna liep ik alleen. Het was een uur of 10 in de morgen en ik genoot van de beekjes, watervallen, het mooie weer en zeer zeker van de prachtige vogels. Het gebonk van, ik vermoedde, spechten klonk als muzikaal geklop in mijn horen. Ik had een kleine kaart van de Horton Plains en ik wist zo welke kant ik op moest lopen naar World's End. Ik wilde natuurlijk niet verdwalen. Ik kwam niemand meer tegen en eindelijk na drie uur lopen kwam ik eindelijk bij de steile wand. Helaas was het mistig geworden en kon ik niet genieten van het uitzicht. Het kon mij eigenlijk ook niet zoveel schelen, want ik had een hogere missie. Waar moest ik zoeken. Ik had geen idee, maar op een gegeven moment zag ik in de diepte een plek waar 'iets' kon zijn en ik daalde heel voorzichtig af. Wat was ik blij, dat ik heel goede bergschoenen aan had. Ik pakte takken vast om steun te hebben bij de afdaling. Voorzichtig plaatste ik steeds mijn voeten op een hard stukje rots. Beetje bij beetje kwam ik na een half uur op de plek waar ik wilde zijn. Het was hier ongelooflijk stil. Ik hoorde hier zelfs geen vogel. Geen wind, alleen het geluid van de kleine rotssteentjes, die onder mijn schoenen wegschoten. Wat is het hier stil. Hier houdt de wereld inderdaad op. Ik zag een soort grot en schoof er langzaam naar toe. Opeens, toen ik bijna bij de grot was voelde ik een soort wind van iets dat achter mij voorbij vloog. Het moet een enorm vliegend dier zijn geweest, want ik zag zijn schaduw op de steile wand. Ik probeerde mijn hoofd om te draaien, maar op datzelfde moment verloor ik mijn evenwicht en donderde toch zeker 20 meter naar beneden totdat ik op een rotsuitstulping terecht kwam. Ik rolde dwars door struiken met enorme stekels en raakte bewusteloos tegen een boomtak aan en moet daar zeker een uur hebben gelegen. Toen ik weer bijgekomen was bemerkte ik, dat het al bijna donker was en het was bovendien koud geworden. Het weer was helemaal omgeslagen. Langzaam ben ik naar de grot geklommen en heb daar nog gezocht met mijn maglite zaklantaarn, maar kon helemaal niets vinden.
Ik was teleurgesteld, dat het ei hier niet lag, maar heel blij, dat ik de val had overleefd.
Het moet intussen al bij middernacht zijn geweest en besloot in de grot te gaan slapen, want het was te gevaarlijk om in het donker naar boven te klimmen. Ik kon moeilijk de slaap vatten vanwege allerlei mooie, maar ook 'enge' geluiden. Ik hoorde soms stemmen van achter de wand vandaan. Eigenlijk meer een sacraal zingen van vogels, maar ik was te moe om nog een kijkje te nemen. Bovendien had ik pijn aan mijn armen en benen. Door vermoeidheid ben ik ten slotte toch in slaap gevallen. Het was een koude nacht.

In de laatste week van mijn verblijf op Sri Lanka heb ik nog het Yala nationaal park bezocht met een paar backpackers. Wilde olifanten gezien, buffels, makaken, pauwen en krokodillen. In het zuiden langs de prachtige stranden met vele palmen, overigens in het koloniaal verleden door de Nederlanders geplant, vervolgde ik mijn reis naar Colombo via Tissamaharama met zijn paalvissers. In Galle een havenplaats waar nog veel restanten van een Hollands VOC verleden te bezichtigen zijn logeerde ik in het oude koloniale New Oriental Hotel. Ik had de koninklijke suite voor nog geen 30 dollars per nacht met het bed waarin onze koningin ook nog heeft geslapen. 's Avonds zat ik op de veranda te genieten van prachtige vogelgeluiden. De rust werd verstoord door een twintigtal Nederlandse toeristen, die net uit hun Neckermanbusje stapten allemaal met dezelfde soort kleren aan en gele hoedjes op met daarop het logo van de reisorganisatie. Eén zelfs met een sjoelbak onder de arm. Je kon je eens vervelen in de vakantie daar op Sri Lanka.
De volgende dag met de bus richting de Sri Lankaanse hoofdstad. In Hikkaduwa stopte ik bij een resort. Het zag er erg toeristisch uit. Prachtig zwembad. Tennisbanen. Je kent dat wel. Normaal gesproken erg duur voor mij, maar dit keer kostte het ook niet veel. Achteraf had het mij helemaal niets gekost zal later blijken.
Ik ben daar nog met een glass bottom boot de zee op geweest. Door de glazen bodem kon je de prachtigste vissen zien. In een lagune lagen een paar varanen, die op draken leken, te zonnebaden.
In de middag liep ik op het strand vlak achter het hotel en werd ik aangesproken in het engels door een vrouw van een jaar of vijftig. Zij was in ieder geval wel een jaar of vijftien ouder dan ik, maar zag er nog aantrekkelijk en beschaafd uit. Het was een Nederlandse dame. Dat kon ik opmaken uit haar accent. Gek genoeg bleef ik engels met haar praten. Op een gegeven moment vroeg zij aan mij wat 'het' kostte en ik antwoordde: "35 dollars." Ik dacht, dat ze mijn kamer bedoelde, maar al snel bleek dat zij heel wat anders in haar hoofd had. Normaal val ik helemaal niet op oudere dames, maar toch lag ik haar diezelfde middag op het balkon van haar kamer nog te masseren. Ze lag helemaal naakt op haar buik op een handdoek van Chanel en ik liet mijn handen langzaam over haar rug en billen glijden. Ze genoot er van, want ik hoorde kleine zuchtjes van opwinding. Haar geoliede lichaam glinsterde in de zonnestralen en ik gaf af en toe kleine kusjes op haar billen. De volgende dag toen ik uit wilde checken bleek bij de balie, dat de kamer al betaald was en ik hoefde verder helemaal niets af te rekenen. Ook niet voor de maaltijden en drankjes, die ik genuttigd had.
's Avonds bereikte ik Colombo, maar hier heb ik verder niets ondernomen betreffende de Tukkel. Wat op marktjes gestruind en nog gegrilde gamba's met citroensap en knoflook gegeten, gewoon bij een stalletje op straat. Het eten bij die stalletjes of bij mensen thuis is toch echt lekker. Daar kunnen ze zelfs in de restaurants van de duurdere hotels nooit aan tippen. En dan kost het bij de eetkraampjes ook nog eens bijna niets.
De volgende dag weer op weg naar huis via Kuwait, Rome en Londen. Vanuit Londen vloog ik met een klein business vliegtuigje naar Schiphol en zat ik naast Philip Freriks, de bekende tv presentator van het journaal. Hij vroeg mij waar ik was geweest. Ik antwoordde:
"In het voormalig nest van de Tukkel, maar de vogel zelf was gevlogen."