OP ZOEK NAAR HET GOUDEN EI VAN DE TUKKEL (DEEL 1)

BEPFALK MUSIC Jehova's
ze komen bij mij aan de deur
al vroeg op de dag
ik zeg: "gaat u a.u.b. weg met dat gezeur"
ze denken dat ik ze niet mag
welnu, gelijk hebben ze die krengen
ze moeten hun heiland maar ergens anders brengen.

Jehovagetuigen. Die kwamen bijna elke zondagmorgen bij mij aan de deur te zeuren toen ik nog in de binnenstad woonde. Wilden ze mij wat vertellen over de bijbel. En als ik dan zei, dat ik niet geïnteresseerd was en de deur dicht wilde gooien, dan plaatsten zij hun voet tussen de deur of nog beter gezegd tussen de deur en het stuk houtwerk waar de deur prachtig in past.
Dan probeerden zij mij nog meer te overtuigen van hun bijbelse waarheid.
Ik snap niet waarom zij mij altijd lastig vallen op de meest rare tijden. Ik kom toch ook niet bij die mensen aan de deur te zeuren op tijden waarvan ik weet dat ze ál of nog stééds liggen te slapen. En dan kom ik aan de deur met datgene waar IK dan in geloof:
"De Heilige Tukkel"
Een ieder mens heeft iets spiritueels nodig, iets religieus of enige verlichting en in mijn geval heet dat 'iets' de Tukkel.
Dan ga ik bijvoorbeeld op een doordeweekse avond langs de deuren.
Als ik klaar ben van een muziekoptreden of theatervoorstelling en een uur of 11 's avonds thuiskom ga ik meestal niet direct naar bed.
Nee, dan lees ik nog een boek of ik schrijf nog wat teksten. Even stofzuigen is ook een mogelijkheid of een appeltaart bakken. Ik kan natuurlijk ook even de wijk in gaan om te evangeliseren. Ja, laat ik maar eens even de wijk in gaan. Het is intussen al bij middernacht en ik bel aan bij het eerste huis op de hoek. Trrrrrring, trrrrrrring. Er wordt niet opengedaan, maar ik bel door. Ik ben zo overtuigd van de verspreiding van het woord van de Heilige Tukkel. Na 7 minuten wordt er eindelijk opengedaan door een vrouw van een jaar of veertig in een rood pyjamaatje. Ze kijkt verbaasd en ik zeg: "Goeienacht mevrouw, neem mij niet kwalijk, dat ik nog zo laat aanbel, maar ik kom u het zaligmakend verhaal vertellen van de Heilige Tukkel. De Heilige Tukkel verlicht uw leven en lost al uw geestelijke problemen op."
Ze zegt, dat ze geen interesse heeft en gooit snel de deur dicht, maar dan plaats ik mijn voet tussen de deur of nog beter gezegd tussen de deur en het stuk houtwerk waar het zo prachtig in past.
En dan roep ik nog:
"Heeft u dan misschien eventueel nog belangstelling voor ons fantastische club blad Het Wachtershuisje?"

Eindelijk had ik de jehova's de deur uitgewerkt en probeerde weer verder uit te slapen, maar een klein uurtje later werd ik weer wakker gemaakt door kerklokken, die een hard, woest en doordringend lawaai produceerden. Waals gereformeerde, protestante en katholieke kerkklokken. Maar daar zei ik niets van. En daar zeg ik nog steeds niets van. Toen ik in de binnenstad kwam te wonen wist ik, dat die kerken daar al jaren stonden op korte afstand van mijn woning. Die staan er al een paar honderd jaar. Daar zei ik niets van, maar ik wil nu toch opmerken, dat een groot aantal leden van die clubs bezwaar maakte enige jaren geleden toen de gemeente besloten had om een vergunning te verlenen aan de organisatie zomerfestiviteiten voor het organiseren van concerten in het stadspark op de saaie zondagmiddag. Popconcertjes, zangkoren, draaiorgelfestijnen en dergelijke. Die lieden maakten bezwaar, omdat het de zondagsrust zou aantasten, zou verstoren. En wat deden zij dan al die jaren? Wat doen ze nog steeds op de zondagmorgen? In ieder geval MIJN zondagsrust verstoren.
Ach, jehova's, mormonen, katholieken, protestanten, gereformeerden, gereformeerd synodaal, joden, moslims, hindoe's, boeddhisten en ook nog veel ander sektarisch gebroed. Het maakt mij niets uit. Ik vind alles best, zolang zij mij maar met rust laten. Het gekke is, dat elk clubje van zichzelf vindt dat het de waarheid in pacht heeft. Elk clubje heeft zo haar eigen regels en al die clubjes onderling hebben altijd ruzie om die regeltjes. Al eeuwen lang tot op de dag van vandaag. En toch willen ze allemaal hetzelfde. Ze willen maar één ding:
ze willen allemaal naar het paradijs, het walhalla, het hiernamaals, de eeuwige jachtvelden, naar het eeuwige leven.
Welnu, ik zal je vertellen, dat ik dat zéker niet wil. Voor altijd en eeuwig dezelfde koppen om je heen. Wat zal dat snel vervelen. Er zitten koppen bij waar je helemaal niets mee hebt. Daar moet je dan voor eeuwig tegen aankijken. De hele dag halleluja zingen met zo'n Jezusmepper (tamboerijn) in je handen en een 'gezegende' lach op het gezicht. Nou dan heb je mooi pech, eufemistisch gezegd.
Op een gegeven moment verwordt zo'n 'paradijs' toch weer in een 'aards leven', want het begrip 'paradijs' bestaat alleen als er ook een begrip
'niet-paradijs' naast bestaat. Wit bestaat alleen naast zwart.
Maar goed, het eeuwige, gelukzalige leven. Dat is wat ze willen.
Daarom heeft elk clubje zo zijn regels bedacht om in de hemel te geraken. Je kan bij wijze van spreken altijd zoveel mogelijk zonden begaan, maar als je elke dag netjes je gebeden opzegt en zondags netjes naar de kerk gaat, naar de moskee of zaterdag naar de synagoge, dan hoef je niet bang te zijn, dat je verdoemd wordt en verbannen naar de hel. Dat deze gelovigen de begrippen hemel en hel wel erg letterlijk nemen is naar mijn idee wel erg simpel. In de hel zal je voor eeuwig branden werd mij op de lagere school al verteld. Ik ben katholiek opgevoed en moest vroeger elke dag tien 'wees gegroetjes' en tien 'onze vaders' bidden, niet negen, maar tien. Als ik er slechts negen bad dan kwam ik niet in de hemel.
En bij het 'slaan' van een kruisteken dan begon je bij je hoofd, daarna tikte je het midden van je borst aan, vervolgens je linkerschouder en ten slotte je rechterschouder. Bij een andere volgorde kwam je niet in de hemel werd ons gezegd. Dan kwam je niet in het hiernamaals. Gek woord trouwens: hiernamaals. Net zo dubieus als bijvoorbeeld 'engelbewaarder', wat suggereert, dat iemand een engel bewaart in een doosje of zo, maar het is net andersom. De engel bewaart jou, bewaakt jou, beschermt jou.
Bij de orthodoxe joden moeten alle mannen een schaamhaarbaard (mooi scrabble woord overigens) dragen, anders komen ze niet in de hemel. De moslims moeten vijf keer per dag op de knieën bidden met het hoofd nederig gericht naar Mekka. Naar een andere plaats gericht komen ze niet in de hemel. De hindoe's moeten elke dag kaarsjes branden voor de goden Sjiva en Ganesh en minstens 1x in hun leven een reis hebben gemaakt naar Varanasi de heilige stad aan de heilige rivier de Ganges. Als ze dat niet doen dan komen ze niet in de hemel.
Ik was mij er al op mijn zevende jaar bewust van, dat ik niet meer bij zo'n clubje wilde horen. Er woonde een katholiek jong stelletje bij ons in de straat. De jonge vrouw kreeg een baby, maar helaas het kindje kwam al na drie dagen te overlijden. Pastoor de Jong erbij. En weet je wat hij zei? Hij zei: "Het kindje zal helaas niet in de hemel komen, want jullie hebben het niet gedoopt?"
"Het kindje zal niet in de hemel komen? Het kindje zal niet in de hemel komen?", herhaalde ik.
Het kindje had nog nooit een vlieg kwaad gedaan. Het was nog zo onschuldig. Nee, daar klopte niets van.
Ik wist toen zeker, dat ik niet bij zo'n clubje wilde. En vanaf die dag leef ik volgens één regel: gewoon goed zijn voor een ieder en al wat leeft. Je hebt goed en kwaad en een ieder in elk land en in elke cultuur weet wat goed en kwaad is. De normen en waarden mogen per land of cultuur misschien afwijken, maar iedereen weet, dat je met je vingers van iemand anders moet afblijven, dat je van iemand anders zijn spulletjes moet afblijven. Enzovoort, enzovoort. Alle geboden en verboden zijn afgeleid van deze ene gouden basis regel van het menselijk bestaan met al zijn varianten.
Tot op de dag van vandaag leef ik zonder zonden. Ik zweer het je.
Ik gooi nog geen propje op straat, ik rijd niet door het rode stoplicht. Als muzikant werk ik niet eens zwart. Het gebeurt wel eens na een optreden, dat een vrouwtje van de organisatie mij een envelop in mijn achterzak stopt al fluisterend: "Koop er maar wat lekkers voor jochie", maar daar blijft het dan bij.
Toch kan ik mij een paar zonden uit mijn jeugd herinneren. Het waren er drie. Als zes, zevenjarig katholiek jongetje moest ik zo nu en dan te biecht gaan bij de pastoor of kapelaan. Dat gebeurde dan in de 'biechtstoel', een klein kamertje ergens in de kerk. Eigenlijk was het meer een donker hok met tralies waarachter de pastoor je bekentenissen aanhoorde. Je kon hem nauwelijks zien. Het had iets engs en geheimzinnigs. Misschien was hij wel naakt en zat hij tijdens de biecht met z'n leuter te spelen. Tegenwoordig hoor je vaak, dat priesters hun tengels niet thuis kunnen houden en zich vergrijpen aan onschuldige kindertjes. Dat is zeker niet incidenteel. Dat zal vroeger beslist niet anders zijn geweest.
Maar goed, als je verteld had wat je uitgevreten had dan kreeg je straf. Dan moest je als penitentie tien 'wees gegroetjes' en tien 'onze vaders' bidden. Zo kwam je dan niet in de hel.
Terwijl ik op mijn beurt zat te wachten in de kerkbanken om te gaan biechten kwam Robbie Schuitemaker het jongetje, dat voor mij aan de beurt was, eindelijk uit de biechtstoel. Het duurde wel erg lang. Hij had allemaal witte klodders behanglijm op zijn voorhoofd en in zijn rode krullenbol.
Ik vroeg: "Wat heb jij voor rare spetters in je haar?"
"Nou de pastoor zei, dat ik nu bevlekt ben ontvangen", antwoordde hij. "Nu mag ik ook misdienaar worden." Ik snapte er toen niets van, maar vele jaren later begreep ik pas, dat die pastoor zijn 'Onanlijke zaad ter aarde wierp' in de haren van Robbie.
Maar goed ik moest wat zonden bedenken, want ik had ten slotte nog nooit wat gedaan wat niet mocht, maar als je dat zei dan geloofden ze je toch niet. Ik vroeg aan Paultje Hobbema: "Wat ga jij tegen mijnheer pastoor zeggen?" Paultje antwoordde: "Ik ga zeggen, dat ik mijn zusje keihard aan de haren heb getrokken, op haar hoofd heb gezeten en toen een flinke scheet heb gelaten".
Nou, dat was een flinke zonde. "En wat ga jij zeggen?", vroeg ik aan Gonnie de Wit. Zij antwoordde, dat zij een koekje uit de koekjestrommel had gepikt en heel veel vieze snotjes uit haar neus aan de zondagse jurk van haar moeder had gesmeerd. Voor mij waren er niet veel zonden overgebleven. Toen ik voor het eerst in zo'n biechtstoel zat beging ik mijn eerste zonde in mijn leven: Ik loog, dat ik gelogen had.
Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa.
Jaren later toen ik een jaar of achttien was beging ik mijn tweede zonde en in hetzelfde weekend zelfs mijn derde en laatste zonde. Daarvoor heb ik wel veel kleine zondige dingen uitgehaald, maar dat viel allemaal toch meer in de categorie kattenkwaad. Dat waren nog geen echte zonden. Zo weet ik nog, dat ik met vriendjes op straat voetbalde. De één was Sjaak Swart, de ander was Coen Moulein en onze de keeper deed alsof hij E.P.G was de legendarische Eddie Pieters Graafland van Feyenoord. Soms gebruikten we ook wel eens buitenlandse namen van bekende voetballers zoals bijvoorbeeld Costapereira de keeper van het toen ontzettend populaire Benfica.
Of Eusebio van diezelfde club of Ghento van Real Madrid. Elk jongetje wilde Pelé zijn. Al voetballend op straat schoten we wel eens de voetbal per ongeluk in de tuin van de boze buurman. Op een gegeven moment had hij er genoeg van en kwam naar buiten met een groot mes en prikte onze bal helemaal lek met een paar steken. Wij waren natuurlijk boos en wij wilden direct wraak op hem nemen. We verzamelden zoveel mogelijk hondenpoep bij elkaar. Het liefst zo vers en zo nat mogelijk. We deden het in een oude krant en plaatsten het op het voordeurstoepje van de buurman. We staken het zaakje in de fik en drukten op de deurbel en renden toen snel weg. Op afstand bleven we staan kijken. De buurvrouw deed open en probeerde het brandje uit te trappen. Ze kreeg de stront op haar jurk en zelfs wat spetters op haar onderlip. Ach, dat was slechts kattenkwaad.
Mijn tweede zonde beging ik op mijn achttiende jaar op de boot van Harlingen naar het waddeneiland Vlieland. Iedereen kent tegenwoordig wel het begrip zwartrijden bijvoorbeeld in trein of metro. Ik had met drie vrienden zwart gevaren. Een ernstig vergrijp. Je kon toen zeer gemakkelijk de veerboot oplopen zonder gecontroleerd te worden. Tegenwoordig al lang niet meer. Pas op zee tussen Vlieland en Terschelling werd er naar een geldig kaartje voor de overtocht gevraagd door een soort varende conducteur. Wij konden die man steeds ontwijken en hadden zo een vrije vaart. Op Vlieland aangekomen werd er weer gecontroleerd. Om dit te omzeilen moest je dan nog over een twee en halve meter hoog puntig hek klimmen. Dat deden we met gemak. We hadden toch geen bagage bij ons. Zeker geen tent. Die hadden wij nooit bij ons. We gingen op de camping meestal naar het meisjeskamp en kropen dan gewoon in een tent. (Vroeger had je een jongenskamp en een meisjeskamp) Welk meisje of welke meisjes bij de tent hoorden was altijd een verrassing 's avonds laat, maar meestal konden we gewoon blijven pitten. En soms wel een heel weekend als het klikte. Er kwam wel eens een vakantie of beter gezegd een weekendverkering van, maar ik ben ook wel eens door een meisje de tent uitgeknikkerd, omdat ik direct al aan haar borsten zat. Uit een andere meisjestent waar Herman-met-de-grote-lul of Henkie Wuttel in zat klonken wellustige geluiden. Ik vond uiteindelijk een plekje om te slapen in een telefooncel, want het begon te regenen.
Eenmaal aan de andere kant van het hek moest je nog oppassen voor Hos. En wie was Hos? Hos was het chromosomatisch eindproduct van een interfamiliaire relatie zal ik maar zeggen. Dan weet je wel wat ik bedoel. Schijnt wel vaker voor te komen op die eilanden net zoals op de Veluwe of in Staphorst. Hos was een volwassen kerel op een soort kinderdriewieler. Hij had een hele grote kop met puisten en een hele lange tong hing uit zijn mond te bengelen met een sliert speeksel. Op zijn hoofd droeg hij een cowboyhoed met SHERRIF erop uit de speelgoedwinkel en hij had een holster met klapperpistooltjes. Als Hos zag, dat je zonder kaartje het eiland op probeerde te komen dan kon hij je verraden. Dan zei hij: "Se heb'm ggggeeeen kkkkaartje, se heb'm ggggggeeen kkkkkaaaartje." Die vuile verrader!
Toen hij ons probeerde te verraden zei Herman-met-de-grote-lul: "Je moet je smoel houden vuile NSB-er, anders bind ik je veters aan elkaar vast". En Hos hield zich dan direct stil, want kennelijk had hij al eens eerder met Herman-met-de-grote-lul, die trouwens ALTIJD gratis met de boot ging, kennis gemaakt.
Herman-met-de-grote-lul had Hos zijn schoenveters wel eens door de spaken van zijn driewieler vastgemaakt en dan kon die bolle ze niet meer loskrijgen, omdat zijn dikke buik ervoor hing en zijn dikke zak in de weg zat.
In hetzelfde weekend beging ik mijn derde en laatste zonde in mijn leven. Het geld, dat wij hadden, misschien vijfentwintig gulden de man voor een heel weekend, was snel opgegaan al na 1 dag. De laatste paar guldens werden besteed aan rum colaatjes van nog geen twee gulden per stuk in de Oude Stoep. De volgende dag hadden we honger en er werd besloten om maar wat te gaan pikken in de kampwinkel. Ik scheet duizend kleuren stront, want zoiets had ik nog nooit eerder gedaan, maar ik kon niet achterblijven anders was je een schuimpje en hoorde je niet bij de groep. In de hele drukke kampwinkel stond ik voor de diepvries en na lang aarzelen stopte ik een diepvriesmakreel voor in mijn spijkerbroek. Koud. Koud. In het begin viel het wel mee, maar het werd steeds kouder in mijn broek en de makreel kreeg gezelschap van een palinkje. De rij voor de kassa was ontzettend lang. Ik werd direct afgestraft voor mijn doodzonde en daarna heb ik nooit meer iets gepikt. Op de terugreis naar de vaste wal hoorde ik op het bovendek voor het eerst het nummer 'Imagine' van John Lennon door een kleine radio van een toerist naast mij, een soort hippie met geitenwollen sokken in klompen. Ik pakte het radiootje af en plaatste het tegen één van mijn oren. De baard lag toch te slapen in het namiddag zonnetje en merkte het niet.
Ik had alle tijd en luisterde met volle aandacht naar de prachtige woorden. Daar kon ik het helemaal mee eens zijn.


stel je voor ( Imagine - John Lennon )


stel je voor, dat er geen hemel is
een andere kijk een andere belevenis
om je heen nooit meer die duisternis
boven je hoofd verdwijnt de mist

stel je voor, dat alle mensen
leven voor de dag van vandaag


stel je een wereld voor zonder grenzen
het is niet zo moeilijk om te doen
een wereld zonder oneerlijke mensen
zonder religies van onfatsoen

stel je voor dat alle mensen
leven in vrede met elkaar

jij vindt mij een dromer
maar ik droom niet alleen
en op een dag hoor je erbij
en de aarde draait in vrede rond

stel je voor, dat niemand wat heeft
dat je alles moet delen met al wat leeft
onvoorwaardelijk om een ander geeft
het hiernamaals NU beleeft

stel je voor dat alle mensen
leven in vrede met elkaar

jij vindt mij een dromer
maar ik droom niet alleen
en op een dag hoor je erbij
en de aarde draait in vrede rond.